85 portretten van bijzondere Hagenezen

Enkele jaren geleden verscheen in AD/Haagsche Courant een serie portretten van bijzondere Hagenaars en Hagenezen, die een stempel hebben gedrukt op de geschiedenis van ons land en onze stad. Deze portretten zijn onlangs in boekvorm verschenen onder de titel Hagenezen die er mochten wezen. Met het oog op deze publicatie zijn de artikelen bewerkt en ingrijpend geredigeerd. Ook is een tiental nieuwe portretten toegevoegd om de diversiteit van de stad beter tot haar recht te laten komen. Zo is van in totaal 85 bekende en soms iets minder bekende Hagenaars een biografisch portret verschenen van de hand van Wim Willems, hoogleraar Sociale Geschiedenis, Jan-Hendrik Bakker, filosoof, Herman Rosenberg, historicus en Pieter van den Broeke, journalist.

De titel van het boek zou de indruk kunnen wekken dat alleen Hagenezen zijn geportretteerd. Niets is echter minder waar. In de inleiding wordt de kring van personen nader gedefinieerd als Hagenaars en Hagenezen, terwijl ook Scheveningers met name worden genoemd. Zo loopt de reeks van geportretteerden uiteen van op-en-top Hagenaar Louis Couperus, Scheveningse reder Adrien Maas, luchtvaartpionier Albert Plesman, wielerkampioen Piet Moeskops tot Dolf Brouwers alias Sjef van Oekel.

Het voert binnen het bestek van dit artikel te ver om op alle portretten in te gaan. Daarom volsta ik met enkele wetenswaardigheden die kleur geven aan de geportretteerde en aan het Den Haag uit de betreffende periode.

Jan Ligthart.

Jan Ligthart (1859-1916) geldt als een van de belangrijkste onderwijsvernieuwers van ons land. In 1885 werd hij aangesteld als hoofdonderwijzer op de lagere school voor arme kinderen in de Tullinghstraat bij het Oranjeplein. Hij introduceerde daar een vorm van aanschouwelijk onderwijs door er met zijn leerlingen op uit te trekken, de stad of de natuur in. Hiermee was hij zijn tijd ver vooruit. Ook was hij de auteur van de overbekende boekjes van Ot en Sien, met behulp waarvan kinderen op een speelse manier vertrouwd werden gemaakt met de lesstof.

Een van de oprichters van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) was Willem Vliegen (1862-1947). Hij werkte aanvankelijk bij drukkerij Excelsior in de Westerbaenstraat en klom geleidelijk op in de geledingen van de partij. Hij werd lid van de Tweede en Eerste Kamer en later ook van de gemeenteraad. Zijn wooncarrière volgde ook een opgaande lijn. Aanvankelijk woonde hij in de Anemoonstraat, later verhuisde hij naar de Van Hoytemastraat in het Benoordenhout, toen een nieuwbouwwijk.

Een van de populairste ministers van voor de Tweede Wereldoorlog was mr. Jan Kan (1873-1947). Hij was niet alleen een voortreffelijk minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw en later lid van de Raad van State, maar was bovenal geliefd vanwege zijn onconventionele houding en grote betrokkenheid bij tal van takken van sport. Zo was hij linksbuiten van het Bondsvoetbalelftal tijdens de eerste interland ooit. Een hoed droeg hij nooit, alleen als hij niet herkend wilde worden. Als vervoermiddel gebruikte hij uitsluitend de fiets. Ook op Prinsjesdag verplaatste hij zich per rijwiel naar de Ridderzaal, met zijn sabel aan de stang gebonden. Met zijn gezin woonde hij aan de Cornelis Jolstraat 66 op Scheveningen. Zijn zoon zou later nog bekender worden dan de minister: de cabaretier Wim Kan.

Levi Lassen. Foto: Stichting Levi Lassen.

Wie tegenwoordig door de Markthof of over de Gedempte Gracht loopt, realiseert zich waarschijnlijk niet dat deze buurt vroeger bekend stond als de Jodenbuurt. Het is vooral de verdienste van één man geweest dat deze buurt na de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog de bedrijvigheid van vroeger terugkreeg en weer ging bruisen. Levi Lassen (1884-1962) was geboren in Duitsland en vestigde zich ruim 100 jaar geleden in Den Haag. Hij ontpopte zich als een dynamisch ondernemer, die al vóór de oorlog een groot zakenimperium opbouwde. Vanuit zijn vestiging aan de Prinsessegracht 6a richtte hij verschillende modezaken verspreid over het land op. Maar vooral had hij een goede hand in de aankoop van onroerend goed in de Haagse binnenstad. Zo verwierf hij een perceel op de hoek van het Spui en de Grote Marktstraat, waar hij een winkel- en kantoorgebouw liet neerzetten. De oorlog overleefde hij door in april 1940 met zijn zus en dertien koffers vol bezittingen naar New York te vluchten. Eenmaal teruggekeerd in Den Haag was zijn grote droom de handelsgeest van de vroegere Jodenbuurt te doen herleven. Hij heeft daar zijn fortuin royaal voor ingezet. En na zijn dood heeft de Stichting Levi Lassen deze lijn voortgezet. Tot op de dag van vandaag.

Piet Moeskops (1893-1964) was eigenlijk geen Hagenaar of Hagenees. Hij werd als zoon van de koddebeier (een soort jachtopziener) van Ockenburgh geboren in Loosduinen, dat tot 1923 een zelfstandige gemeente was. Na zijn lagere schooltijd fietste Piet samen met poelier Van der Zijden de Haagse markten langs om kippen te verkopen. Fietsen zat hem in het bloed. Als negentienjarige verscheen hij voor het eerst op de Scheveningse wielerbaan, met een zak kippen over zijn schouders. Zoals elke sport, was wielrennen in die tijd een elitesport en Moeskops werd dan ook ronduit uitgelachen. Maar hij liet, zoals dat heet, zijn benen spreken en won alles wat er te winnen was. Hij werd nationaal kampioen en zelfs verschillende keren wereldkampioen sprint. De laatste keer was in 1926 in Milaan, maar bij terugkomst op station Hollands Spoor keerde het publiek zich tegen hem. Wat was het geval? Een Italiaanse soigneur had hem, nadat hij tijdens de training zwaar ten val was gekomen, een kom warme melk met champagne en cocaïne gegeven. Een bondsofficial had vervolgens het gerucht verspreid dat Moeskops drugs had gebruikt en zo waren de rapen gaar. Het illustreert wederom dat de officiële wielerwereld weinig moest hebben van de eigenzinnige Loosduiner. Moeskops had als professional in de Verenigde Staten goed verdiend en kocht na het beëindigen van zijn carrière een aantal arbeidershuisjes in de Jacob Catsstraat voor de verhuur en werd ook eigenaar van een café.

Edoardo Talamini.

Welke Hagenaar of Hagenees kent niet de zaak van Florencia in de Torenstraat? Deze ijssalon is het levenswerk van Edoardo Talamini (1894-1964), zoon van een in Duitsland wonend Italiaans echtpaar. Edoardo opent eind jaren twintig een winkel in de Kleine Nobelstraat 1a, waar de zaken zo goed gaan dat hij in 1936 een veel grotere zaak kan betrekken in de Torenstraat. Zakelijk inzicht kan hem niet worden ontzegd. Zo besluit hij geen stoeltjes in de zaak neer te zetten. Bezoekers moeten het doen met hoge tafeltjes, dat verhoogt de doorstroming. Ook neemt hij aantrekkelijk ogende meisjes uit zijn streek van herkomst in dienst, want dat werkt omzet verhogend. Edoardo Talamini komt op een wel heel tragische manier aan zijn einde. Een ijsmachine, waar hij met zijn mouw aan vast komt te zitten, wordt hem noodlottig. Zijn levenswerk wordt echter door zijn familie voortgezet en ijs van Florencia is nog steeds een begrip, ver buiten Den Haag.

Bibeb (E.M. Lampe-Soutberg).

De naam Elisabeth Maria Lampe-Soutberg (1914-2010) zegt waarschijnlijk niemand iets. Maar haar pseudoniem Bibeb des te meer. Bibeb was – en is nog steeds – een begrip in journalistieke kringen. Ze wordt wel beschouwd als de moeder van het diepte-interview. In totaal heeft ze ongeveer zeshonderd interviews gemaakt, de meeste voor het weekblad Vrij Nederland. Ze begaf zich daarvoor ook buiten onze landsgrenzen en heeft onder andere Frederico Fellini, Marcello Mastroianni, Brigitte Bardot, Juliette Gréco en Germaine Greer geïnterviewd. Door een gedegen voorbereiding en een bijzondere interviewtechniek wist ze menige gesprekpartner te verleiden zaken te openbaren die men liever voor zich had willen houden. Een groot deel van haar leven woonde Bibeb aan de Zeekant op Scheveningen. Van daar vertrok ze per openbaar vervoer – ze reed geen auto – naar haar gesprekspartners, gewapend met pen en papier. De klassieke journalist dus. In 2008 werd haar De Tegel toegekend, de belangrijkste journalistieke prijs.

Nummer één op de Amerikaanse hitlijsten. Dat bereikte in het vroege voorjaar van 1970 de Haagse band Shocking Blue met het nummer Venus. Zangeres van de band was Mariska Veres (1947-2006). Ze kwam uit een artistiek gezin. Haar vader was de Hongaarse orkestleider en violist Lajos Veres. Haar moeder was van Frans-Russische origine. Mariska bezocht als tiener de gemeentelijke muloschool in de Bezemstraat en volgde zang- en pianoles. Ze werd in die jaren Nederlands grootste popdiva, maar gedroeg zich daar allesbehalve naar. Ze rookte niet, dronk niet, gebruikte geen drugs en ging na afloop van een optreden eigenlijk het liefst naar haar ouderlijk huis of naar de Scheveningse visafslag om zwerfkatten eten te geven. “Ik vond het leuk om te zingen en allerlei landen te zien”, vertelde ze later nogal nuchter over deze jaren van roem en succes. Dat er tieners waren die niet konden slapen zonder een foto van haar onder hun kussen, verbaasde haar zeer. Evenals het feit dat er afbeeldingen van haar in tal van schoolagenda’s stonden. Een atypische zangdiva dus. Na het wereldwijde succes en het uiteenvallen van de band in 1964 kon Mariska lange tijd haar draai niet vinden. Rijk was ze niet geworden, dus zag ze zich genoodzaakt langs discotheken te trekken met een ‘ingeblikt’ orkest. Later werd ze discjockey in Club de Paris onder het Europa Hotel op Scheveningen. “Als ik muziek wil maken, neem ik gewoon een vrije dag”, zei ze ooit.

Hagenezen die er mochten wezen bevat een boeiende portrettengalerij van mannen en vrouwen die een stempel hebben gedrukt op de stad, waarin ze woonden en werkten. Het boek is verschenen bij uitgeverij De Nieuwe Haagsche en kost in de boekhandel 24,50 euro.

Hans Lingen
hrlingen@gmail.com

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann