Daar bij die molen

Er is een tijd geweest dat er meer dan twintig molens in Den Haag stonden nog los van de molens die in de directe omgeving hun werk deden. Alleen al in straatnamen is hier iets van terug te vinden. Denk maar aan: de Malle Molen, Bij de Westermolens, Gortmolen, Slijpmolen en zelfs een hele wijk, de Molenwijk. Rond 1300 stond er zowel bij Loosduinen als bij Eik en Duinen al een molen zoals uit diverse archieven blijkt. Op dit moment staan er nog drie molens binnen de gemeentegrens. In het Bezuidenhout, in Laak en in Loosduinen.

Voordat ik u ga vertellen hoe ik aan een heel bijzonder boekje gekomen ben, lijkt het me verstandig iets over molens in het algemeen te noteren. Veel mensen denken dat de molen lang geleden in ons land bedacht is, maar dat is niet juist. Gezien het grote aantal molens in ons kleine landje ligt deze gedachte wel voor de hand. Er was een tijd dat er zo’n 20.000 molens stonden. Voornamelijk poldermolens die moesten zorgen dat het gedeelte van ons land dat (ver) beneden de zeespiegel ligt niet al te drassig werd en in een dorp of stadje van enige omvang kon men op z’n minst één korenmolen aantreffen.

paltrok

In landen als China en Afghanistan stonden al vele eeuwen eerder eenvoudige maar zeker bruikbare molentjes. Wel is het zo dat heel veel verbeteringen, vaak vanuit de praktijk, in ons land bedacht zijn. De oudst bekende molen stond in Brabant en is in 1180 gebouwd. Dat wil zeggen de oudst bekende windmolen. Molens konden niet alleen door de wind aangedreven worden maar ook door stromend water. Wanneer er sprake is van een redelijk verval kan men in het water een rad aanbrengen en dan is er sprake van een watermolen. Dit type molens is ouder. Je kunt molens op allerlei manieren indelen, bijvoorbeeld naar de vorm en naar de functie. Wat dit laatste betreft ging het in steden en dorpen vaak om industriemolens. We moeten zo’n molen dan ook zien als een fabriekje waar planken gezaagd werden, waar olie geperst werd of waar graan vermalen werd en zo zijn er nog veel meer functies te noemen. Het is dan ook niet zo vreemd dat het Engelse woord mill zowel molen als fabriek betekent.

Keure en Reglement voor de Koren- en meelkeurders, broodbakkers, koekbakkers, en molenaars.
Keure en Reglement voor de Koren- en meelkeurders, broodbakkers, koekbakkers, en molenaars.

Een boekje uit 1767
Onlangs werd ik op een boekenmarkt die eenmaal per maand in Wassenaar gehouden wordt, aangesproken door een man en hij liet me een boekje zien waarvan hij dacht dat ik het graag zou willen hebben. Hij vertelde me dat hij in Den Haag gewoond had en in Scheveningen geboren was. Momenteel woont hij in Wassenaar en hij wist dat ik artikelen schrijf voor De Oud-Hagenaar. Hier zou wel eens een artikel in kunnen zitten. Hij liet het boekje zien en ik vroeg hem hoeveel hij ervoor hebben wilde. Niets was het antwoord en dan te bedenken dat het hier om een boekje uit 1767 gaat. U begrijpt dat ik hem uitgebreid bedankt heb en een artikel zit er zeker in.

Keure en Reglement voor de Koren- en meelkeurders, broodbakkers, koekbakkers en molenaars
Waarom is dit boekje geschreven? Er bestond in die tijd kennelijk onenigheid tussen de hierboven genoemde beroepsgroepen. Ik zal de inleiding letterlijk overnemen en u zult zien dat zo’n tekst nog steeds te lezen is.

Schout, Burgemeesteren, en Schepenen van ’s Gravenhage, vernomen hebbende de disordres en verwyderingen tussn de Bakkers en Molenaars, en de wederzydsche zwaare klagten deswegens ontstaan, en daar in willende voorzien, zo veel doenlyk, tegen de ongemakken die daar uit, zo voor hier Gemeen, als ook in het byzonder voor de Bakkery en Maaldery zijn voortgekomen, en noch verder kunnen voorkomen, hebben goedgevonden te keuren en te statueeren, gelyk als zy goedvinden keuren en statueeren mits deelen als volgt. De schout hield zich onder andere bezig met het handhaven van de openbare orde, de burgemeester was een bestuursfunctionaris op gemeentelijk niveau en de schepenen zouden we nu met enige vrijheid de wethouders kunnen noemen.

In het vervolg hierop wordt duidelijk gemaakt wat er zowel van de bakker als van de molenaar verwacht wordt. Om hierop toe te zien worden ‘vijf kundige Keurmeesters’ met name genoemd: Cornelis Trompert, Aard van Harmelen, Christoffel Bisschop, Jan van Meekeren en Jan van Zellem (misschien zit er nog wel een voorvader van u bij). Mocht men in overtreding zijn dan konden er forse straffen worden uitgedeeld. Bijvoorbeeld een boete van zes honderd gulden, voor die tijd een enorm bedrag, verbanning en zelfs lijfstraffen. De helft van de boete ging naar ‘de Nederduitsche Gereformeerde Diaconie armen alhier’.

Een drietal voorbeelden van regels waar men zich aan te houden had: De Bakkers zy zullen het Koren in de zakken aan den Molenaar leeveren wel geharpt en zuyver, zonder vermenging van eenig ander zaad of vuiligheid, of eenig ander ongelyk Koren dat het maalen belet of het Meel ongelyk doet uivallen. Geharpt betekent gezeefd.

De Bakkers zy zullen zich moeten voorzien van groot yzer gewigt, ten minsten van het gemeene beloop van een Haagsche zak, en na behooren geykt, en met vernieuwing van den Yk zo dikwijls als zulks vereischt word, en het Koren op dat gewigt aan den Molenaar overleveren. De maten en gewichten waren in die tijd nog niet algemeen geldig. Zo kende men in onze stad een eigen inhoudsmaat, de Haagsche zak. Mocht één van u mij kunnen vertellen over hoeveel (huidige) kilo’s we het hier hebben, graag. Ik heb het niet kunnen vinden. Wat ik wél heb kunnen vinden, is, dat een Haagsche zak gelijk is aan drie schepel, een schepel is gelijk aan vier spint en een spint is gelijk aan acht kop, maar ja, daar kom ik ook niet veel verder mee.

De Molenaars zy zullen het Koren gehouden zijn te maalen in den eisch van het werk, en ten dien einde hunne Molens en Maaltuig houden in behoorlyken staat, en inzonderheid hunne Maalsteenen bequaamelyk billen. ‘Billen’ wil zeggen: de groeven die in de stenen zitten uitdiepen en scherper maken.

Zoals gebruikelijk werd een en ander ondertekend door de ‘Secretaris’:

Aldus gedaan bij Schout, Burgemeesteren, en Schepenen den 11 December 1767.

In kennis van my Secretaris,

(was geteekent)

J. STEENIS.

En nu maar hopen dat het geschil hiermee opgelost was.

Carl Doeke Eisma
carleisma@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann