Voorbij met de immer wakende torenwachter!

Over de veiligheid van Den Haag en zijn inwoners is door de eeuwen heen constant gewaakt. Vooral het uitbreken van de rode haan bracht veel angst en onrust in de stad. Zowel overdag als ’s nachts was daarom de torenwachter actief om de horizon af te turen naar naderend onheil. Niet zo zeer een zware, maar wel een uiterst verantwoordelijke baan!

De torenwachter was een hooggeplaatste ambtenaar die door de gemeente werd benoemd. Vanaf de St. Jacobstoren hield de wachter de uitkijk over de stad om beginnend vuur of ongewenste rookontwikkeling bijtijds op te merken. Iedere schijn van een gloed moest hij melden aan de brandweerpost. Zodra hij dreigend gevaar constateerde dan klepte hij onmiddellijk de grote klok. Hiermee ging hij door totdat de brand was geblust of het geklep door het luiden van de klok was vervangen. Ondertussen stak hij een lantaarn uit de toren in de richting van het onheil. Op deze wijze wisten de uitrukkende brandweerlieden welke kant ze op moesten gaan.

Anderzijds wisten zo ook de bezorgde Hagenaars waar de brand was en konden zij al dan niet gerust ademhalen. Den Haag was tot halverwege de negentiende eeuw nog niet tot volle wasdom gekomen en de meeste inwoners hadden goed zicht op de kerktoren. Ze woonden vooral binnen de singels.

Jaarwedde
De torenwachter maakte deel uit van het brandweercorps dat naast spuitgasten ook bestond uit ladderdragers, brandmeesters en aan de top van de hiërarchie stond de Brandmeester-Generaal. Zo was de stand van zaken in ieder geval halverwege de negentiende eeuw. De jaarwedde die door de gemeenteraad werd voorgesteld bedroeg in 1858 driehonderd gulden per torenwachter. Hiervan waren er twee door de jaren heen. Op de belangrijke functie van torenwachter kon openbaar worden gesolliciteerd. Wanneer de termijn gesloten was werd bekeken wie het meest geschikt leek te zijn voor deze baan. Uiteindelijk werd hierover officieel gestemd in de gemeenteraad. In 1872 werd de 42-jarige Johannes Martinus Staal (1828-1891) met dertien stemmen gekozen tot nieuwe torenwachter naast zijn oudere collega Frederik Willem Hamel. Op de tweede plaats eindigde F. van Velzen, die gekozen was met elf stemmen. Het was dus even spannend. De aanstelling werd door de heer Staal in grote dank aanvaard. De functie leek even op een erfelijke baan, omdat zijn vader Carel Staal ook al torenwachter was.

Brandspuit
Beginnende branden werden steeds vaker geëvalueerd. De brandweer werd steeds professioneler. Had sneller optreden mogelijk een beginnende brand kunnen blussen? Veel was ook te doen over de aanrijtijd en hoe lang het duurde eer het eerste water op het vuur werd gegooid. Sommige autoriteiten bij de Haagse brandweer vonden het net van brandkranen bij lange na niet compleet. In 1878 waren er 353 brandkranen maar uitbreiding met een honderdvijftigtal exemplaren leek de brandweer wenselijk omdat de enorme brandspuit niet in alle nauwe steegjes kon komen. De grote spuit was dus een welkome uitbreiding van het corps, doch leverde problemen op qua snelle aanrijtijd.

Telefoon
In 1884 was het gedaan met de functie van torenwachter. De komst van de telefoon was debet hieraan. Beide trouwe toerenwachters kregen eervol ontslag en de functie werd opgeheven. Torenwachter Staal kreeg met twaalf dienstjaren geen wachtgeld, maar voor zijn collega Hamel uit de Korte Hoogstraat 13 werd een pensioen van 186 gulden per jaar geregeld. Hij had er 38 jaar trouwe dienst opzitten en was inmiddels bijna 65.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann