Het Haagse woonschip Watergeus aan de Slachthuiskade

Op 1 februari 1937 koos het woonschip Watergeus ligplaats aan de Slachthuiskade, vlak voor de Laakbrug. Het was een bijzondere verschijning, want gewoonlijk meerden er schepen af, die een lading hadden te brengen of in te nemen. De “Watergeus” was voor heel andere taken bestemd. Bijna 27 jaar zou het Haagse oponthoud duren voordat er weer een nieuw avontuur wachtte. Sinds kort was de heer H.B. Engelsman eigenaar van het schip.

Het schip was, in tegenstelling tot de vrachtschepen van de beroepsvaart die gewoonlijk aan de Slachthuiskade aanmeerden en doorgaans in sombere kleuren waren geverfd, in de frisse kleuren wit en zilvergrijs gestoken waardoor al gauw het schip het predicaat “het sieraad van de Slachthuiskade” kreeg. Het was dan ook geen vrachtschip maar een voormalige Engelse kustvaarder, dat geen varende taak kreeg, maar aan zijn ligplaats een sigarenwinkel zou krijgen en een mooie zaal in het ruim dat daarvoor keurig was omgebouwd, geschikt voor bruiloften en partijen maar ook voor bijeenkomsten, vergaderingen, sprekers en later werd die zaal ook voor filmvoorstellingen voor de jeugd gebruikt tegen heel schappelijke toegangsprijzen.

Het schip lag dus aan de Slachthuiskade, een naam die niet meer bestaat, omdat het slachthuis (ook wel abattoir genoemd) werd gesloopt en op het terrein verrees een woonwijk en de straatnaam werd veranderd in Neherkade. De voorsteven van het schip was gericht naar de Laakbrug en de “buurman” aan stuurboord was het gebouw van de radiatorenfabriek van Van Heijst. Een grote werkgever, die voorzag in de werkgelegenheid van velen in de regio. Evenals het slachthuis is ook dat fabrieksgebouw gesloopt na dat het geruime tijd heeft leeggestaan. Voor dat fabrieksgebouw, aan de zijde van de Rijswijkseweg, was nog een benzinestation gelegen.

De heer Engelsman werd geboren in Arnhem in 1886 als jongste van een tweeling en zoon van een huisknecht. Op 15 april 1914 trad hij in het huwelijk met Cornelia Maria van der Hoeven en vestigde hij zich te ‘s-Gravenhage. Hij had toen al diverse beroepen uitgeoefend zoals magazijnknecht, kruidenier en bode van een begrafenisfonds. Blijkbaar heeft hij ook het beroep van begrafenisondernemer uitgeoefend, want in een krant van de vorige eeuw, was in een dankadvertentie te lezen dat een familie hem openlijk bedankte voor de keurig verzorgde begrafenis van een dierbare. In zijn huwelijk werd op 29 januari 1915 dochter Willy Josephina geboren. Zij trad op 28 oktober 1936 in het huwelijk met F. van der Pas, een sigarenwinkelier, zoon van een timmerman uit Breda. Helaas, Willy overleed op 3 december 1938, 23 jaar oud. De heer Engelsman was op 4 november 1933 naar Rijswijkseweg 318 verhuisd boven het postkantoor, dat toen op de Rijswijkseweg hoek Slachthuiskade en wel het stuk dat naar de Laakmolen voerde was gevestigd. Hij had uit zijn huis al een goede kijk op de toekomstige aanlegplaats voor zijn Watergeus. Ook dochter Willy en haar man woonden op dat adres. En op 1 februari 1937 verhuisden de bewoners van de Rijswijkseweg naar het woongedeelte aan scheepsboord van de Watergeus. In 1938 maakte een feestcomité gebruik van de zaal. Er was in dat jaar, ter gelegenheid van het 40-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina een gondel- en kanovaart door de Haagse wateren georganiseerd en de jury vergaderde daar om de uitslag vast te stellen en de prijzen uit te reiken. Maar ook de zaken in de sigarenwinkel liepen blijkbaar goed. De British-Americain Tobacco Co. vroeg in 1958 een vergunning bij de gemeente ‘s-Gravenhage aan voor een lichtreclame op het schip “Watergeus” voor het sigarenmagazijn “De Laakbrug”, die niet werd verleend, “omdat die de omgeving te veel zou ontsieren”. Waaruit bestond die omgeving dan wel? De reeds genoemde fabriek van Van Heijst en het benzinestation. Voor de boeg de Laakbrug en aan de andere kant van de brug, weer een kort stukje Slachthuiskade, dat naar de Laakmolen voerde en op de Rijswijkseweg tegenover het benzinestation was toen zoals gemeld een postkantoor gevestigd met op de bovenverdieping woonhuizen. Maar de weinige mensen die daar woonden waren Paré gewend (een fabriek waar bruidssuikers werden gemaakt) en dan was je al heel wat gewend. Aan bakboord van het schip was een kort stukje Goudriaankade, waar niemand woonde en verder de loswal van de Fijnjekade. Wat daar ontsierd kon worden blijft een onbeantwoorde vraag.

Op zondagmiddag, nog lang voordat de kaartverkoop begon, vormde zich al een rij kinderen, die de filmvertoning niet wilden missen. De toeloop was meestal groot en niemand wilde achter het net vissen. Er werden meestal korte filmpjes vertoond, die de reguliere bioscopen in het voorprogramma vertoonden. Maar voor een bedrag van drie centen kon je geen speelfilmpremière verwachten. Mevrouw Engelsman, die eerst de kaarverkoop had afgewerkt, handhaafde als de zaal vol was de orde, suste soms kleine onordelijkheden en greep in als er erg kleine toeschouwertjes geen goede plaats hadden om al het gebodene naar behoren te kunnen zien en regelde dan een ruil met een grotere toeschouwer, die dat meestal met tegenzin aanvaardde, wetende dat er aan haar gezag niet viel te tornen.

Er was maar één projector, zodat de film na vertoning eerst moest worden teruggespoeld alvorens er een nieuw film kon worden gedraaid. Er brandde dan één lamp om niet helemaal in het donker af te wachten wanneer de volgende film werd gestart. Op zo’n moment wilde het wel eens gebeuren dan er kleine plagerijtjes plaats vonden maar een strenge blik van mevrouw Engelsman in de richting van waar de kreten vandaan kwamen was voldoende om er een eind aan te maken. Zover reikte haar gezag in ieder geval wel. Een enkele keer was het vergrijp dusdanig dat de dader uit de rij moest komen en geheel achterin de zaal met een staanplaats genoegen moest nemen. Maar dat waren uitzonderingen.

De films waren maar zelden in het Nederlands, maar als ze in een vreemde taal waren of zonder ondertiteling, kwam zij de voornamelijk jeugdige toeschouwers, die niet altijd voldoende bedreven waren in het snel lezen van de ondertitels, te hulp. Zij nam dan ook nog de functie van filmexplicatrice op zich. De uitvinding van de luidspreker was voor haar een overbodige luxe. Zij kende de films al en wist wat er ging gebeuren en vulde dan ook nog even de zaal, voor iedereen luid en duidelijk hoorbaar, met een toelichting van het vertoonde.

Het was in oktober 1944, dat de elektriciteit werd afgesloten. Ook de Watergeus ontkwam er niet aan en dus waren de filmvertoningen niet meer mogelijk. Maar er was toch een oplossing gevonden om de vaste klanten nog van dienst te zijn. Op het bovendek van de boot werd een propeller aangebracht, zoals dat toen ook op de daken van de woonhuizen veel werd gedaan, om daarmee elektriciteit op te wekken en in ieder geval het podium te verlichten. Er traden een goochelaar en een grappenmaker op, die de teleurgestelde filmliefhebbers een vrolijke middag zouden bieden. De grappenmaker bracht een komische voordracht over een begrafenis. Hij deed zijn kunstgebit uit zijn mond en zette een bril met dik montuur op en plaatste een wat te klein hoedje op zijn hoofd. Hij vertelde met een wat krakende stem, dat als hem een bepaald liedje te binnen schoot, hij het te pas en te onpas wilde zingen. Dat lied was: “Van je bokkie, bokkie, bokkie, bokkie bèh”. (De wijs van dat lied wordt ook veel gebruikt bij carnavalsvieringen en dan luidt de tekst: “Zo’n goeie hebben wij nog nie gehad”.) En dan kon hij, met wat hij aan het doen was, niet ophouden. Hij was een keer op een feest en toen schoot dat liedje hem weer te binnen en toen had hij alle glaasjes leeggedronken tot verdriet van de overige gasten. Hij vervolgde zijn voordracht met nog een aantal schalkse gebeurtenissen en toen kwam de clou van zijn optreden. Dat was de begrafenis van zijn vriend Jan. Het was tenslotte een vrolijke middag!

Op het kerkhof bij de grafkuil van Jan, die daarin zojuist was neergelaten, lag een berg zand en er stond een schep bij. Iedereen moest een schepje zand op de kist gooien. Maar toen hij de schep pakte, schoot hem dat lied weer te binnen en schepte hij, vermoedelijk luid zingend, de hele berg zand weg en toen de familie aan de beurt kwam was het zand op en de grafkuil helemaal gevuld. De daverende lachsalvo’s waarop hij misschien had gerekend bleven uit. Het gebodene was aan zijn publiek niet besteed.

De goochelaar oogstte wel wat meer bijval, maar een aantal van zijn trucs mislukte en dat was te wijten aan het slechte licht, aldus de tovenaar, die zijn reputatie nog enigszins wilde redden. Bij Tommy Cooper mislukten de goocheltoeren ook, maar die deed dat zo geniaal, dat het waarschijnlijk moeilijker was dan een goocheltoer tot een goed einde brengen. Het was duidelijk dat de zondagmiddagen geen grote aantallen bezoekers meer zouden trekken.

Na de roes van de Bevrijding en de talloze feesten hernam het dagelijks leven geleidelijk zijn rechten. Er moest opgebouwd worden en dat betekende hard werken. Mede daardoor was er veel behoefte aan ontspanning en amusement. Ook de Watergeus kwam weer tot leven. De winkel in rookwaren was weer open en de zaal werd weer verhuurd. Er was wel een nieuw fenomeen: er werd op zaterdagavond gedanst op muziek van grammofoonplaten veelal opnamen van uit Amerika of Engeland afkomstige orkesten en vocalisten. Want dat was toen enorm in trek.

Ook voor bruiloften en partijen en andere vieringen was de zaal weer in gebruik, maar toch liep bijna ongemerkt de belangstelling voor dat wat de Watergeus kon bieden op zijn eind. De heer Engelsman, wiens krachten gingen tanen, overleed op 71-jarige leeftijd in 1958 en mevrouw Engelsman stond er alleen voor. Zij heeft de zaken zoveel als mogelijk was voortgezet, maar uiteindelijk werd in 1963 het schip verkocht aan de Rotterdamse heer J. van Wijngaarden. Maar die had er na een jaar alweer genoeg van en verkocht het aan de heer H. Broekmeulen.

De nieuwe eigenaar wilde met het schip in Brohl aan de Rijn in Duitsland als parlevinker aan het werk gaan. De Watergeus ging vanaf toen de naam “Maria” dragen. Er kwam een winkel op het bovendek en beneden kwam een ruimte voor een kanovereniging. In 1964 kwam het einde van het Haags avontuur. De van oorsprong Engelse kustvaarder van 75 jaar ging weer varen en liet een lege plek achter op de Slachthuiskade. De eerste tocht was naar Hardinxveld waar het schip een verfbeurt kreeg en daarna ging het op naar Duitsland. Twee sterke sleepboten zouden de Watergeus verslepen. Er was nog één moeilijkheid te overwinnen. De Watergeus lag in een bedding op de bodem van de Laakhaven. Zodoende was er nooit deining op het schip. Mevrouw Engelsman zorgde altijd al voor rust en harmonie aan boord. Daarom verliep ook het wegslepen zonder de gevreesde problemen. Zou dat het laatste restje van haar invloed zijn geweest?

P. Hoogduin
phoogduin@kpnmail.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann