Grote successen van Haagse renners

Zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog blonken Haagse renners uit op nationaal en internationaal niveau. ‘s-Gravenhage mocht toen gerust Wielerstad genoemd worden. Voor de oorlog drukte de Nederlandse regering een groot stempel op de wielersport. Uit veiligheidsoverwegingen (?!) mochten er nauwelijks wegwedstrijden worden georganiseerd.

Na de oorlog veranderde dit en overvleugelde het wegwielrennen het baanwielrennen. Vóór 1940 was de baansport nummer 1. De Scheveningse houten wielerbaan stond tot 1917 in het Belgisch Park. De piste verdween door woningbouw. Het was een kweekvijver van talent, maar er vonden ook internationale wedstrijden plaats. De Loosduinse poelierszoon Piet Moeskops (1893-1964) begon er zijn imposante wielercarrière die van 1921 tot 1926 liefst vijf wereldtitels opleverde op het onderdeel sprint voor profs. Het ging destijds voornamelijk om vier disciplines: de sprint, tandemsprint, de zesdaagse en het stayeren achter zware motoren. Dat laatste onderdeel was favoriet bij de toeschouwers die regelmatig in groten getale – meer dan 5.000 – de velodrooms van Scheveningen en Rijswijk (1921-1940) bezochten. Moeskops kon goed leven van zijn sport. De lange, robuuste spurter kreeg in de Verenigde Staten, waar hij regelmatig werd uitgenodigd en zeer succesvol was, de bijnaam ‘Big Pete’. Behalve zijn vijf wereldtitels won Moeskops Grote Prijzen in Brussel, Bordeaux, Milaan, Kopenhagen, Zürich, Berlijn en Rijswijk (1929). Sportjournalist Joris van den Bergh wijdde aan hem het lezenswaardige boek ‘Te midden der kampioenen’. En ook het boek ‘De Rijswijkse Wielerbaan 1921-1940′, uitgekomen in 2015, beschrijft een interessante geschiedenis. Tienduizenden belangstellenden bezochten Moeskops’ huldigingen in de binnenstad van Den Haag. Wanneer Moeskops aan start kwam, liepen de wielerstadions vol. Hij was letterlijk en figuurlijk een ‘grootheid’. Afgetraind woog deze vogelliefhebber honderd kilogram. Tactisch stond er geen maat op ‘De Lange’. Zijn bijna academische benadering van het baansprinten en zijn nauwgezette bestudering van tegenstanders gaven hem vaak voorsprong. Het grote geld verdiende hij vooral in de Verenigde Staten waar hij een graag geziene wielrenner was.

Piet Moeskops.
Piet Moeskops.

De in Den Haag opgegroeide Piet van Kempen (1898-1985), die zijn bijnaam ‘Zwarte Piet’ dankte aan zijn dikke, donkere haardos, schopte het zelfs tot miljonair. Piet kon alles, maar blonk vooral uit in de Zesdaagsen. Hij won er 32 in Europa en Amerika en mocht zich destijds ‘Koning der Zesdaagsen’ noemen. In zijn glorietijd verdiende Piet van Kempen 1.000 dollar per dag, exclusief prijzengeld. In Berlijn streek Van Kempen zelfs 2.400 mark per dag op. In zijn tijd was deze beroepsrenner wellicht de meest bereisde sportman ter wereld. Vrijwel elk jaar maakte hij de oversteek naar Canada en de Verenigde Staten. In New York, Chicago, Cleveland, Minneapolis, San Francisco, en Kansas City ging hij na 144 uur als winnaar over de finish. Talent, uithoudingsvermogen, koersinzicht en zijn spectaculaire manier van rijden maakten hem tot topcoureur en publiekslieveling. Bovendien zat Van Kempen fraai en bewegingsloos op zijn ranke rijwiel. Samen fietsten Moeskops en Van Kempen na de eerste wereldoorlog naar wielergek België om daar met succes hun geluk te beproeven.

Piet van Kempen.
Piet van Kempen.

Ook Frans Leddy (1901-1966) had niet te klagen over zijn verdiensten. Deze Haagse profrenner achter grote motoren vierde grote successen in vooral Duitsland. Met 45 wielerbanen, honderden koersen en vijftig topstayers was dit het beloofde land voor de ‘rolrijders’ die gevaarlijke snelheden van rond de 100 km per uur haalden. Ondanks diverse dodelijke ongelukken bleef het publiek toestromen, ook in Rijswijk. Gangmakers in leren pakken bestuurden luidruchtige, knallende en vlammende Brennabor-, Anzani- en Bacmachines met een grote cylinderinhoud van 2000 tot 2400 cc. Leddy, die gemiddeld drie keer per week een wedstrijd reed, was vooral in 1927 zeer succesvol. Hij won toen liefst 57 keer! Wereldkampioen was Leddy nooit; steeds stak mechanische pech een ‘spaak in het wiel’. Wel won Leddy drie keer de wegwedstrijd Den Haag-Brussel. Andere befaamde stayers uit het Haagse waren Koos Storm (1895-1957), Jan Snoek (1896-1981) en Cor Wals (1911-1994). De laatste was ook een kopstuk in de zesdaagsen.

Maurice Peeters.
Maurice Peeters.

Na de sloop van de snelle, houten, Rijswijkse wielerbaan in 1940, duurde het tot 1956 voor er op Duinhorst een nieuwe, betonnen, baan werd geopend rond de reeds aanwezige sintelbaan. Na ongeveer tien jaar opende camping Duinhorst en sloot de wielerbaan. De contouren van de baan zijn nog zichtbaar.

Gerard Leene.
Gerard Leene.

Haagse (tandem)sprinters die eveneens fraaie prestaties behaalden, waren de ‘eeuwige amateur’ Jonkheer Gerard Bosch van Drakestein (met meer dan tien nationale titels), Bernard Leene, Maurice Peeters, Daan van Dijk en Henk Ooms. Zij allen brachten Olympisch eremetaal mee naar huis. De profs Louis Didier en vooral Gerard Leene (1892-1966) stonden nationaal en internationaal eveneens in hoog aanzien. Leene die nog vier fietsende broers had, zegevierde in de Grote Prijzen van Berlijn, Zürich, Breslau, Turijn en Bordeaux. De Haagse abattoirmedewerker Maurice Peeters (1882-1957) bleef altijd amateur en werd pas wielrenner op 34-jarige leeftijd. 1920 was zijn succesjaar met Olympisch goud (in Antwerpen) én de wereldtitel (ook in zijn geboortestad Antwerpen). Het tandemduo Gerrit Bontekoe-Willem van Duin (bijnaam Jopie Slim en Dikkie Bigmans) was lange tijd overslaanbaar. Het was Gerrit Bontekoe (1893-1962) die na de oorlog aan de wieg stond van de zeer drukbezochte Ronde van het Capitol op bevrijdingsdag. Maar hierover later meer.

Ton van Wieringen
tonvanwieringen@ziggo.nl

Met dank aan wielerverzamelaar Koos van Winden voor de foto’s.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann