Het Witte Huis aan de Haagse Conradkade

Als ik zeg dat ik in het Witte Huis heb gewoond, kijkt men mij ongelovig aan en denkt men aan de woning van de Amerikaanse president. Zover heb ik het niet geschopt. Wel woonde ik in het enige witte huis op de Haagse Conradkade: nummer 13. Een huis met een onderduikgeschiedenis.

Van begin 1943, ik was net vijf jaar, tot eind 1947, heb ik op dit evacuatieadres gewoond en hoefde ik niet, zoals veel mensen van Scheveningen, naar de Achterhoek. Van de oorlogsperiode weet ik mij meer te herinneren dan van de tijd dat ik weer op Scheveningen woonde. Kennelijk heb ik de periode van de Duitse bezetting, vanaf mijn vijfde tot mijn zevende (vlak voor de bevrijding), intenser beleefd. Woonde ik met mijn ouders en mijn jongere zusje ‘parterre’, boven woonden de grootouders, overgrootmoeder en tante Ans, de dochter van opa. Bij opa en oma had ik in de voorkamer via de grote ramen vrij uitzicht op de rails van lijn 11, de brug naar de Newtonstraat, het Verversingskanaal en de autoloze Suezkade met zicht tot de de groentewinkel van Franken op de hoek van de Weimarstraat.

De hoge poort aan de overkant was het spannendst, want daarachter was een andere wereld van hoge pakhuizen voor ratten, paarden en middenstanders als steenkolenhandelaar Boon, die boven de poort woonde. Hij verpakte met een ingenieuze machine kolen in stevige papieren zakken die daarna werden dichtgeniet. Drie deuren rechts van de poort woonde Hans die precies een week eerder jarig was en, toen niet onbelangrijk, eigenaar van een rode trapauto waar ik soms maar niet te lang, ook wel eens mee mocht rijden. Zijn ouders hadden de keuken geheel blauw geverfd en boven op een keukenkastje stond een kooi met een duif die de hele dag koerde. Er was een harmonium en een cither waarop wij ‘speelden’.

Links op de hoek van de Suezkade en de Newtonstraat was een café waar Duitse soldaten kwamen en bij goed weer op de brug tegen de leuning leunend hun biertje dronken. De uitbaters hadden een pittig klein zwart hondje, in mijn herinnering een Schotse terriër; met zijn whiskey-imago wel passend voor een kroeg. Er nog eens over denkend, moet het toch een Frans bulldogje zijn geweest. Na de bevrijding kwamen vanonder de cafévloer onderduikers te voorschijn.

Tussen de poort en de Newtonstraat woonde de kinderrijke familie Dubbeld met ernaast de fietsenwinkel en een vloot van bakfietsen voor de verhuur. ’s Morgens werden zij economisch geparkeerd in rij uitgestald op het trottoir, zo dicht mogelijk tegen het kanaaltalud. Af en toe zag je er een rat lopen, soms onwaarschijnlijk groot, zelfs in de hongerwinter. De bakfietswielen waren vervangen door stevige wielen van hout met ijzeren rand tegen slijtage. De wielen hadden een dikke uitstekende as. Toen ik – tegen de waarschuwing in – via de wielas in een rijdende bakfiets wilde klimmen, sneed de ijzeren wielband mijn been open tot op het bot. Het litteken herinnert mij er nog aan.

Tegenover het café was de speeltuin met een aardige meester. Tegen het einde van de oorlog konden wij kinderen er niet meer op omdat de planken van het bruggetje waren gesloopt. Het lukte nog wel volwassenen die via de stalen brugdragers onze speeltuin gingen omspitten op zoek naar steenkoolresten; resten van de bergen kolen die er ooit lagen voor de energiecentrale. Het was de tijd dat huisvloeren in de kachel verdwenen. In de Weimarstraat werden de geteerde houten blokken tussen de rails weggehaald om als brandstof te dienen. Evenwijdig aan de Newtonstraat – als ik aan de straat denk ruik ik nog steeds de lucht van peen en uien – liep een ondiepe modderige sloot waaruit ik een forse paling heb getrokken. Mijn familie wist geen raad met de slang maar de familie Dubbeld wel.

Vanaf mijn huis op nummer 13 hadden de huizen richting Weimarstraat een etage extra. Naast ons woonde een evacuatiefamilie met een groentezaak op Scheveningen. Met de meisjes liep ik mee naar de Noorderkerk in de Schuytstraat waar wij in de tijd van voedselschaarste te eten kregen. Vast wat anders dan de suikerbieten en bloembollen thuis.

Iets verder op de Conradkade woonde Terry, een schitterende Ierse setter. Uiteraard wilde ik later ook zo’n hond. Het is er nooit van gekomen. Op de kade woonde ook een platsnoet, een boxer. Zijn baasje was leraar Duits, die na de oorlog met zijn gezin, net als de familie Dubbeld, naar Australië emigreerde. Het zoontje hoorde bij mijn vriendengroepje en al spelend tussen de rails heb ik hem van de lage afwateringsuitbouw naast het Gemeentelijk Energie Bedrijf (GEB) in het Verversingskanaal geduwd. Zijn ouders kwamen geen bloemetje brengen, omdat ik hem de reddende hand reikte.

 

Nog verder, op nummer 24 was een handels- en ingenieursbureau gevestigd. De eigenaar werd na de oorlog opgehaald door mannen in blauwe overalls met armband om en helm op. Als kind was ik heftig verontwaardigd, en nu nog, dat er een man op een fiets laf van achteren op de gearresteerde inreed. Overigens was de opgehaalde man al weer snel thuis. Nu vraag ik mij af wie er na de oorlog nog over een fiets beschikte. Met mijn moeder was ik ’s morgens in de Weimarstraat toen er komend van het Regentesseplein een vrachtwagen stopte en van onder het zeildoek mannen in zwarte uniformen kwamen die de naar hun werk fietsenden de fiets afnamen en in de auto zetten. Mijn moeder en ik vluchtten Vroom in, de winkel schuin tegenover het zwembad waar ik later nog les kreeg van meester Bal met zijn zo herkenbare stemgeluid.

Op de hoek van ‘mijn’ Conradkade zat de sigarenwinkel waarop, toen ik langs de rails speelde, dacht dat de sputterende en dalende V-1 terecht zou komen. Er was geen tijd te verliezen en kon zodoende niemand waarschuwen, dus vliegensvlug heb ik dekking zoekend mij vastgrijpend aan de grashalmen die tussen de klinkers groeiden, langs de schuine kadekant naar beneden laten glijden tot het kanaalwater.

De luchtdruk en rondvliegend puin bleef uit. De raket was terechtgekomen op het pand van verhuisbedrijf Spaans aan de Westduinweg in Scheveningen met de dood van twee passanten als gevolg. Opa kon zijn sigaren met de schitterende sigarenbandjes op de hoek blijven halen.

Onder de grond van de achterkamer, donker door behang en gordijnen verborg mijn vader zich. Boven op zolder, donker omdat het peertje was weggehaald, zat in een kamertje achter een kast, de verloofde van tante Ans. Mijn vader zag ik alleen als hij –als geen ander– een ‘broeder’ bakte in een pan op de kachel in de woonkamer. Dat was weer eens wat anders dan bloembollen of suikerbieten, alhoewel dat ook de ingrediënten konden zijn van het brood uit de pan.

Toen tijdens een razzia ’s avonds twee Duitse soldaten op zoek kwamen naar onderduikers werden zij in de voorkamer ontvangen door moeder, oma en overgrootmoeder. Opa liet zich niet zien. Ik bezag het tafereel vanuit mijn bed in de achterkamer. Het bed stond tegen de schuifdeuren die ik op een kiertje had gezet. De soldaten, waarschijnlijk in hun Heimat brave huisvaders, deden stil en spaarzaam met de zaklamp om de kinderen niet wakker te maken. Het luik waarop op een kleedje het bedje van mijn zusje stond werd zodoende niet opgemerkt.

Vanuit de voorkamer van de eerste étage heb ik de mannen opgesteld gezien met hun tas met spulletjes; zij gaven gehoor aan het bevel om staand voor de huisdeur zich te melden voor werk in Duitsland. Kennelijk viel het aantal mannen tegen want de S.S. heeft gedreigd de vloeren open te breken.

Op een andere datum heb ik vanuit de woonkamer boven, gillend en in volledige paniek, hollend, fietsend en zelfs zittend in een bakfiets jonge vrouwen en mannen voorbij zien komen. Het waren werknemers van de Plaatselijke Telefoon Dienst in De Constant Rebecquestraat, een paar honderd meter bij ons vandaan. Zij hadden gehoord dat het PTD-gebouw gebombardeerd zou worden. Wij moesten ook weg maar het bombardement kon mij wat, want zonder goudvis ging ik niet mee. Met een halflege kom met goudvis lukte het me mee te krijgen naar de halte van lijn 11 op de hoek van de Weimarstraat. Het moet 4 mei 1943 geweest zijn want tussen de middag zijn er zeven of acht tijdbommen door de Engelse Airforce gedropt op het PTD-gebouw.

Koningsplein
Langs de sigarenzaak en de apotheek op de andere hoek, ging ik over het Koningsplein langs het geheimzinnige café met de dubbele deur naar de kleuterschool in de Van Swietenstraat. Een woonhuis met op de parterre kamers en suite. Wij kleuters moesten ons opstellen tegen de achtergevel en als de kasten naast de schuifdeuren open gingen mochten we als de wiedeweerga ons favoriete speeltje pakken. Toen de juf mij mijn speeltje afpakte met ‘daar heb je gisteren al mee gespeeld’, was ik zo verontwaardigd door het veranderen van de spelregels dat ik er niet meer naar terug wilde.

Mijn oma bedacht voor het binnen spelend en tekenend kind een schillenwijk. Het blok waarin ik woonde rondom liep ik af met mijn wagentje en belde huis voor huis aan voor schillen. De opbrengst van mijn ronde leverde ik in bij groenteboer Schouten voor zijn paard. Als beloning kreeg ik dan een appel of een peer met een stekkie. Schouten zat met zijn winkel bij ons om de hoek in de Chasséstraat. Daar tegenover, in ons blok, zat Citters de kruidenier en op het hoekje zat Seinen, de herenkapper.

Tussen ons huis en de kapper woonden nog een NSB-familie en een gezin met de vader aan het oostfront.

Op het Koningsplein was een kiosk waar voor opa een krant moest worden gekocht. Dun geel papier of roze vanwege de schaarste. Soms kreeg ik geld mee om een ijsje te kopen. Op de hoek van de Van Merlenstraat, de straat achter de Conradkade, was op de hoek van het Koningsplein een fietsenzaak met hoog plafond. Er boven woonde een domineesgezin waar ik ook aanbelde voor schillen. De mevrouw nodigde me dan uit voor een kopje thee met een koekje. Misschien praatte ik daar honderduit en heb ik een keer iets teveel gezegd want de mevrouw is een keer op bezoek geweest bij mijn moeder.

Een andere bezoeker op nummer 13 was de man met de weegschaal. Goed voor gouden sieraden en gouden tientjes. Met het ontvangen geld kon weer eten worden gekocht. Een bunkerbouwer had na de oorlog zodoende meer achter de hand dan het tientje van Lieftinck.

Als er een loodgieter met teer bezig was stopten wij de gemorste teer in onze mond en kauwden het soepel. Hollandse kauwgum.

In de Van Merlenstraat richting Laan van Meerdervoort was een school met gymnastieklokaal waarvoor ik met mijn moeder in de rij heb gestaan voor de gaarkeuken. Wij kregen ‘soep’ als water met een kleurtje en iets zwevend erin. Meer was er niet. Wel zagen we via een zijdeur vrouwen met kinderwagens vol groene kool vertrekken.

Bevrijding
Eerder was er op 5 september 1944 ‘Dolle Dinsdag’ met op de kruising Conradkade/Groot-Hertoginnelaan veel mensen en een pop die Hitler moest voorstellen hoog in een lantaarnpaal. De menigte stoof uiteen toen er in plaats van geallieerden Duitse soldaten op motor met zijspan aankwamen. Met het zoontje van de kapper heb ik op 29 april 1945 staand in de dakgoot nog de voedseldroppings gezien.

Een maand na mijn zevende verjaardag: vrede. Hoera! Het buurtbevrijdingsfeest met optocht van kinderen die iets moesten uitbeelden was twee straten achter ons huis in De Perponcherstraat. Oma had het weer voor elkaar en ik ging met een handmof op mijn hoofd met daarop een grote sok als ‘de mof met de kous op de kop’. Oma heeft de uitgebeelde symboliek verduidelijkt aan de jury en ik kreeg de eerste prijs die ik ruilde met het meisje van de tweede prijs zodat ik kreeg wat ik heel graag wilde: een boerenjukje met twee emmertjes. Zou er een foto zijn gemaakt van de prijsuitreiking?

Mijn vader kwam vanonder de hooiberg in Kolderveen in Drenthe, waar hij het laatste deel van de oorlog ondergedoken was, weer thuis.

We keken naar de armada van blikken bootjes die uit de sloot van de Newtonstraat kwamen aangevaren; zij waren gemaakt van hele en halve blikken met op de peddelstok de ronde deksels. De ‘biscuits’ die erin hebben gezeten hadden een goede ‘bite’ en roken en smaakten heerlijk. Graag zou ik er weer eens op knauwen. Een oproep voor een verkoopadres in dit blad had geen positief resultaat. Met mijn moeder ging ik naar Volkszanguitvoeringen in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen op de Zwarteweg waar iedereen uit volle borst de ellendige jaren wegzong. En wij stonden voor paleis Noordeinde te juichen als de Koninklijke familie op het bordes verscheen.

Bang voor een derde wereldoorlog met de Russen kocht oma een baal rijst waarvan wij nog jaren tegen heug en meug hebben gegeten. Al snel kwam er een radio voor het opvangen van de BBC als het nodig mocht zijn; ik luisterde naar de jeugdafleveringen van ‘Buffalo Bill, de held van het Wilde Westen’. De radio was bijzonder omdat er nog vrijwel niets te krijgen was. Mijn oudoom Jan kende een meneer Stadhouder die het belangrijke apparaat kon leveren. Later kocht ik in de winkel mijn eerste elektrische scheerapparaat; een Duits merk omdat het Nederlandse merk mijn gezicht niet beviel. In de zestiger jaren mocht ik als grafisch ontwerper het logo met de stekker voor de firma Stadhouder ontwerpen wat nu nog te zien is op de gevel.

Henk Kamphorst
kamphorst.henkj@gmail.com

 

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann