Het Bezuidenhoutse leven vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog

Het Bezuidenhout is altijd een geliefde wijk geweest om te wonen. Voorname ambtenaren vonden er hun onderkomen, maar ook goedgeschoolde kantoorklerken. De grote wijk strekt zich uit van het oude station Staatsspoor tot aan de molen aan de Carel Reinierszkade. Het laatste gedeelte dat gereed kwam heet Bezuidenhout-Oost. André de Weijert (1935) laat zijn geheugen spreken.

Zijn wiegje stond in de Van Lansbergestraat 116. Wat hij zich van die tijd kan herinneren, komt rechtstreeks van zijn ouders vandaan. Vader Cor de Weijert (1907-1983), die in die tijd magazijnmeester was bij Louwman kwam met zijn vrouw Ida Kouwenhoven (1908-2000) in een benedenwoning in het Bezuidenhout terecht. Er heerste een gemoedelijk sfeertje. Alles was nieuwbouw en iedereen deed zijn uiterste best om te wennen aan elkaar. De vaak jonge bewoners gingen beleefd met elkaar om. Een typisch Haagse wijk met Haagse zeden. De mannen werkten overdag en de vrouwen deden braaf het huishouden en voedden de kinderen op. De buren begroetten elkaar, stelden zich nog aan elkaar voor en zorgden voor geen enkele overlast van elkaar. Het portiek werd keurig netjes om beurten geschrobd en de straatjes geveegd. Meestal op zaterdag nadat de trekbel en het koper aan de voordeur was gepoetst. Het was het sfeertje van Nederland vóór de oorlog. Op zaterdag werd nog gewerkt en na een week hard werken, maakte iedereen zich op voor de zondag: de dag des Heren met de daarbij behorende kerkgang. Iedereen deed het zo en iedereen leek tevreden. Het gezin De Weijert kende ook nog dochter Coby, die in 1937 ter wereld kwam. Al vrij snel werd de Van Lansbergestraat verruild voor een portiekwoning in de Merkusstraat waar ze op 146 hun intrek namen. Joop en Fau de Munninck waren hun boeren en werden al gauw vrienden die bij elkaar over de vloer kwamen.

Bewaarschooltje
De kleine André ging met kinderen uit de buurt naar het bewaarschooltje aan de Van der Wijckstraat. Een houten gebouwtje, mogelijk was het een noodopvang. Voor kinderen was het een onschuldige tijd. Aan niets merkte je dat er een oorlog zou uitbreken. De wereld was niet groter dan de klas waarin je zat. Juffrouw Buwalda was de baas. Zij kon beslissen of er buiten werd gespeeld waar de felbegeerde zandbak stond. Terwijl de Nutsschool naar de Merkusstraat verhuisde, kwam het gezin De Weijert nog voor de oorlog in de De Moucheronstraat terecht. Voor de geïnteresseerden: het huisnummer was 62. Wederom een benedenwoning, omdat pa en ma het gesjouw met de kinderwagen toch wel zat waren. Bovendien stonden veel huurwoningen leeg en deden eigenaren hun best om huurders te paaien. Vaak werd er gratis behangen of geverfd. Voordeel was in ieder geval dat ze niet ver van het Haagse Bos zaten. Dat was een kwestie van de straat uitlopen.

Het uitbreken van de oorlog hebben ze ook in dat huis meegemaakt. De toen 5-jarige André kan het zich nog goed voor de geest halen. Wat het woord oorlog precies betekende, wist je vanzelf niet. Maar daags na het uitbreken op 11 mei was een angstig ronkend geluid waar te nemen van een vliegtuig. Vader en André keken buiten op straat en zagen een geraakt toestel compleet met een forse rookpluim neerkomen in het Haagse Bos. Daags later liep hij aan de hand van zijn moeder over de Laan van Nieuw Oost-Indië en zagen ze vanuit Voorburg de Duitsers komen marcheren. “Oh jongens, daar komen ze, zei moeder verschrikt!” Niemand wist wat er te wachten stond. De eerste oorlogsjaren veranderde er weinig. De Duitse soldaten waren vriendelijk en zaten vaak op terrasje hun soldij te verbrassen. Ook het leven in het Bezuidenhout ging gewoon door.

Grote school
In 1941 ging André naar de grote school in de De Sillestraat. Een openbare lagere school waar hij in een gemengde klas terecht kwam met 43 medeleerlingen. Een behoorlijk grote klas met leuke kinderen, maar de juffrouw was een draak! De oude chagrijnige juf Warfemius leek het altijd op André te hebben voorzien. Gek dat je zulke mensen nog zo goed voor je kan zien. Maar ook de rest van het lokaal staat nog levendig in André’s verbeelding, zoals de ouwe zwarte potkachel die in de winter werd gestookt met cokes.

Vanzelfsprekend was er volop kattekwaad en vriendjes waren er te over. Karel van Ockenburg kan hij zich nog voor de geest halen. Zijn vader bezat het koffiehuis naast het viaduct over de Rijksstraatweg. En dat had je nog Frans de Metz, Hanny van der Haven en Henk Bijl, zoon van de groenteboer op het Stuyvesantplein. Middenstanders waren er voldoende in de wijk, waar op iedere hoek van de straat een bedrijfspand was te vinden, variërend van een bakker of slager tot een sigaren- of melkboer. Het klinkt misschien wat kneuterig, maar het straatbeeld zag er zo tevreden uit. Aan de overkant van de straat woonde de familie Hubaty die een bontwinkel had aan de Herengracht, pal tegen over de bioscoop Odeon.

Buren
De nieuwbouwwijk trok jonge stelletjes aan, die al gauw in de kinderen zaten. Eigenlijk waren het veel gezinnetjes, die qua stand en denkbeelden weinig van elkaar verschilden. Tonny van der Meulen woonden rechts van hun en dan had hij nog een zusje Mirjam. Aan de andere kant hadden ze als buren de familie Tangelder, waarvan de vrouw (tante Karin) uit Denemarken kwam en met een accent sprak. De kinderen speelden joviaal op straat of het nu verstoppertje was, knikkeren, tollen of touwtje springen. De jongens deden aan straatvoetbal met alle gevolgen van dien als er een bal door de ruiten ging. Ze kozen dan het hazenpad en de dader lag op het kerkhof. Ja, dat was het kattenkwaad van de lieve jeugd van toen!

Vertier
Ja, ook toen werd er al gescholden op de baldadige jeugd en dat ze beter opgevoed moesten worden. Maar ja, zo was het nu eenmaal. En zeker, waren er altijd wel raddraaiers te vinden die brutaler waren dan de rest. De durf-als die als eerste over een bevroren sloot gingen en het niet uitmaakte op ze een zeikpoot haalden. Heerlijk ravotten in het bos of langs de boerderij Mariahoeve. Hutten bouwen en plezier maken. Het was allemaal zo fantastisch omdat je als kind ook het gevaar niet zag. Dat gold ook voor het zwemmen in het Bosbad. André was acht jaar toen hij op les ging. Hartje oorlog zou je zeggen, deden ze dat toen? Ja, toch wel, het leven ging gewoon door. Pas in het laatste oorlogsjaar werd de zaak grimmig, maar daarvóór was het allemaal zeer goed te doen, zeker voor kinderen!

Dekens
Gelukkig vergeet je de erge dingen in je leven. Zo werkt een geheugen nu eenmaal. En zeker een kind overziet niet alle ellende van de oorlog. Maar later hoorde André, dat de Duitsers dekens ophaalden. Had je dekens afgegeven dan kreeg je een bewijs dat tegen het raam moest worden geplakt. Bij het gezin De Weijert was niets tegen het raam geplakt en op een zondagochtend kwam een Duitse officier vragen waarom ze niets hadden ingeleverd. De kleine André kwam net uit de zinken teil voor de kolenhaard en kreeg een deken om: “Kijk daarom!”, zei zijn moeder tegen de officier. De Duitser begreep het volkomen en zei nog even te willen wachten alvorens te vertrekken omdat hij geen wantrouwen wilde wekken dat hij niet zou hebben gezocht. De buren vertrouwden elkaar niet. Als je geen dekens inleverde werd je al gauw getracteerd op een reeks van vragen of van roddels.

Duidelijk is dat de oorlog door iedereen verschillend wordt ervaren. Mensen die heel erge dingen hebben meegemaakt, maar ook mensen die als kind gewoon spelend door de oorlog zijn gekomen. Gelukkig, dat dát ook bestaan heeft. Dat niet alles kommer en kwel was en dat er gelukkig nog kinderen waren die hebben kunnen genieten. Vaak omdat ze niet beseften wat er allemaal gebeurde. Tot zover het laatste deel over de jeugd van André.

F.J.A.M. van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann