Het verhaal achter de beddenmaker van de Hemsterhuisstraat

Ik wil reageren op het leuke en voor mij, zo herkenbare artikel, van Jaap Arends in De Oud Hagenaar. Het idee om de Hemsterhuisstraat op papier te zetten leeft al jaren bij mij, maar het artikel van Jaap gaf de doorslag. Ik kom al vanaf 1953 in de straat en kende ook vele bewoners. Jaap is er een paar vergeten of heeft ze over het hoofd gezien, maar dit is uiteraard niet negatief bedoeld. Hij heeft de rest tot geschiedenis gemaakt en markant neergezet. Ik val een beetje een beetje veel over de summiere twee regeltjes in het artikel van beddenmaker en reparatiebedrijf. Hier schuilt een enorm groot verhaal achter, want de beddenmaker Gerard Hählen was mijn vader. Hij zou later problemen krijgen bij zijn opdrachtgevers met de naam van de wel of niet bezwadderde Hemsterhuisstraat.

Mijn vader is voor de oorlog (1937) begonnen in de Groenesteinstrraat, als leerling-matrassenmaker, klinkt stoer, maar stelde vroeger niks voor, want de belangrijkste taak die mijn vader bij zijn baas had: het verzorgen van zijn wedstrijdduiven. Hij was een ouderwetse duivenmelker, met hele mooie wedstrijdduiven. Boodschappen doen voor zijn ziekelijke vrouw, vloeren vegen, de rotzooi van een ander opruimen en een matrasje vullen met de hand, vulgaatje onzichtbaar dichtmaken met een naaldje en middels een grote brede plank de kapok gelijkelijk verdelen in de tijk, door er heel hard op te slaan. De matrassen werden met een bakfiets weggebracht naar de klanten. Als je in die tijd geen diploma had, werd je beddenmaker of behanger (wordt heden ten dage nog als sneer gebruikt voor iemand die erg onhandig is).

De oorlogsjaren waren geen pretje maar ondanks alles kon het gas en licht nog steeds betaald worden. Mijn vader had een vriend die stoffeerder was en dus een moeilijke tijd had weinig of geen werk en nog minder geld. Hij sprong een gat in de lucht als hij een al pianokruk mocht stofferen, bij wijze van spreken dan. Want alles wat brandbaar was, ging de kachel in. Men had er waarschijnlijk geen geld voor over om lekker te ziten. Hij had een schuld bij mijn vader die hij niet kon ophoesten. Mijn vader sprak met hem af dat hij, wanneer hij geen werk onderhanden had, bij hem kwam werken om een mooie halfronde vierpersoonsbank met losse met veren gevulde kussens en gecapitionneerde rug te maken. Tijd speelde geen rol, als het maar exclusief zou worden. Ik weet niet hoe lang het geduurd heeft, maar ineens stond de bank bij ons thuis in de voorkamer. Mijn moeder trok wit weg en het enige wat ze uit kon brengen was: kon het niet iets kleiner in deze toch al niet te grote kamer. Mijn vader reageerde een beetje pissig: nee, die bank kon niet kleiner, want zo groot was de schuld van vaders vriend. Als deze bank had kunnen spreken na al die jaren van zit- en leef-plezier, dan had ik bijbeldik papier nodig gehad om te verhalen van wie er allemaal op gezeten of geslapen hadden. De bank ging in 1964 op het nieuwjaarsvuur.

Na de oorlog gingen de zaken steeds beter en er moest uitgebreid worden, het pand werd te klein, want er waren inmiddels al twee nieuwe medewerkers aangenomen. Mijn vader had zo langzaam de leiding genomen, de patroon zat iets teveel bij zijn duiven en zag een eventuele verhuizing helemaal niet zitten. Hij woonde namelijk boven de zaak en het grootste probleem en hangijzer waren natuurlijk zijn duiven. Er was nog een probleem: de baas en zijn ziekelijke vrouw waren kinderloos en beschouwden mijn vader als hun zoon. Mijn vader werd dan vaak uitgenodigd om met de motor en zijspan op zondag wat te gaan touren en bleef ook vaak eten bij ze. Maar hij wilde toekomst van zijn pupil niet in de weg staan. De deal werd mooi opgelost en mijn vader kon het bedrijf en klantenbestand voor een prikkie – een weekgeld bij leven – overnemen. In de tijd na de oorlog was het niet moeilijk om aan werkruimte te komen. Het werd uiteindelijk de Hemsterhuisstraat 8 naast het Museum van Onderwijs (in volkstaal Schoolmuseum) in het jaar van de here 1947. Het was een behoorlijk groot pand met hele hoge plafonds, grote tuin voor eventuele uitbreiding en een kantoortje voor de Baas. De personeelssterkte was inmiddels opgelopen tot twaalf man en een vrouw. De vrouw en spil tussen deze mannen heette Wally, ze was naaister en als ze gas gaf op haar electrische fabrieks Singer, dan vlogen de damasten en tijken om je oren. Wally heeft wat textielfabrieken onder haar handen verwerkt, dat noemen we nu: kilometers maken. Bij afwezigheid van mijn vader ontving zei de klanten en de telefoon deed ze er ook bij, kortom een hele bijdehandte vrouw.

Omdat de kapokmatrassen toendertijd met de hand gevuld werden (twintig pond voor een eenpersoonsmatras) wat heel veel stof gaf. Er stonden af en toe te veel man op elkaar te wachten, dus geen productie. Thuis hadden we al vaak gehoord over de aankoop van een electrische vulmachine, die een matras in vijf minuten vulde met kapok. Veel vaker hadden we het het bedrag van aanschaf van aanschaf gehoord, waar mijn vader slapeloze nachten van had. Toch ging de kogel door de kerk en er werd geïnvesteerd. De machine moest vanwege zijn omvang een meter diep de grond in, dat betekende twee dagen ontruiming van het pand, GEB-ploegje binnen om een 5 pk motor aan te sluiten, die een iets hoger voltage nodig had, dan onze Erres-stofzuiger. Dat betekende andere en dikkere leidingen en de brandweer had ook iets vernomen en kwam een kijkje nemen met als gevolg: automatische schuifdeuren en een aantal brandblusapparaten aanschaffen.

De Hagenezen en Westlanders gingen weer wat verdienen en de huisraad die in de oorlog was verbrand, verstookt of verkocht om te kunnen warmen en eten werden opnieuw aangeschaft, dus werk zat. De klantenkring bestond voornamelijk uit particulieren, die hun kapokmatras lieten bijvullen of opnieuw laten overtrekken. Om twaalf man aan het werk te houden moest er een andere markt worden aangeboord. Natuurlijk moest er ook een grotere auto worden aangeschaft, weer slapeloze nachten. Ik (12 jaar) mocht op een zaterdagmorgen met mijn vader en moeder mee om de auto te bekijken. Mijn vader had de hele week vragen over merk, kleur en bouwjaar ontweken en hij lachte geheimzinnig. Bij het Zieken stopte mijn vader bij Köhler autoverhuur en gingen wij naar binnen. Op een werkbrug stond een grote zwarte Chevrolet te glimmen en te chromen. Wat bleek, het was de lijkwagen die de kist vervoerde en de grote achterdeur stond pontificaal open. Mijn moeder hield mij met twee handen op mijn schouders vast en mijn vader stond bij de geopende deur. Kom nou eens kijken riep hij, wat een ruimte binnen. Ik voelde hoe mijn moeder schrok, want ze kneep harder in mijn schouders. Ze vroeg aan mijn vader of hij wel goed bij zijn hoofd was, dit was te gek voor woorden. Langzaam liepen we naar de achterkant, vader zagen we niet want die zat achterin de auto met een duimstok te meten. Ik dorst niet in de auto te kijken, bang om een vergeten lijk te zien. Lang verhaal kort maken, moeder ging uiteindelijk akkoord, mits de auto een andere kleur kreeg, want zo’n zwarte rouwwagen in de straat voor de deur, daar kon ze niet mee leven. Doorslaggevend was de enorme ruimte voor de matrassen en de aankomende vakanties met de kinderen. Ik was later toch wel trots op mijn vader en natuurlijk was ik ineens een stuk populairder in de buurt, want aan kijkers geen gebrek, terwijl ik achter het stuur op een kussentje, quasi-interessant zat te doen. De kleur was muisgrijs geworden.

Er kwam een telefoontje van V&D, kom eens langs voor een gesprekje, getekend Anton Dreesman. V&D had inmiddels vernomen dat de firma Geha (Gerard Hählen) flink aan de weg timmerde. Tijdens het gesprek met het topje directie V&D moest mijn vader even door het stof, want er werd keihard gesteld dat er alleen zaken met V&D werden gedaan en dat betekende dat er nooit voor de Bijenkorf werkzaamheden verricht kunnen worden. De top had nog een addertje onder het gras, want er werd gevraagd of mijn vader gelovig was of een religie aanhing. V&D was namelijk een strenge katholieke firma en het liefst ook hun leveranciers. Mijn vader bekende volmondig dat hij ongelovig was en hij had er ook geen tijd voor, want zijn bedrijf eiste alle aandacht. Hierop volgde een oorverdovende stilte. Mijn vader, die nog nooit op zijn mondje gevallen was, speelde deze situatie handig uit met de boude mededeling, dat een geloof niets met eerlijke handarbeid te maken had en dat hij – over de hele wereld gezien – het één na oudste en mooiste beroep had. Vragende blikken aan de andere zijde en of het uitgelegd kon worden. Jawel, met plezier en de vraag werd aan de directie recht voor zijn raap gesteld: ik neem aan dat u weet wat het oudste beroep ter wereld is, met moeite kregen de katholieken het uit hun vrome mond: de prostitutie. En wat hadden die dames nodig om dat heilzame beroep uit te oefenen? Een matras. Pappa had ze plat, maar de ban was nog niet helemaal gebroken, het adres waar Geha gevestigd was, kon de heren niet bepaald bekoren en had een smet. Hun uitleg aangaande dit hangijzer: de opdrachtbonnen die werden uitgeschreven verwezen naar fabrikant en adres. De heren wisten zeker dat als een klant las dat zijn of haar matras in de Hemsterhuisstraat gemaakt zou zijn, de koop heel waarschijnlijk niet doorging. De vraag aan mijn vader was dan ook: heeft u bezwaar om de naam te veranderen in: Huis 8. Mijn vader had wel voor hetere brijtjes gestaan en hier ging het tenslotte om werk en veel geld. Geen bezwaar en totaal geen probleem. Daarna handen schudden, schouderklopjes en de wens op een vruchtbare samenwerking. Of mijn vader een sigaar beliefde en een glaasje champagne. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Er stond één winnaar in de directiekamer van V&D, gevestigd in de Grote Marrktstraat en dat was de niet-gelovige diplomaloze beddenmaker uit de Hemsterhuisstraat. Hij had de order van zijn leven binnen en hij kon toen niet in de verste verten bevroeden, wat dit in de komende jaren zou gaan opleveren.

Meneer Anton D. wilde blijkbaar een proeve van bekwaamheid, want een paar dagen na het beslissende gesprek met mijn vader, werd er gebeld. Gaarne even langs komen in Wassenaar om de schapenwollen matras te bekijken waar de familie op sliep. Geha was specialist op het gebied van paardenhaar en schapenwolmatrassen, want daar was een electrische kaardmachine voor nodig om die dikke koek (na jarenlang beslapen en beminnen) uit elkaar te halen en om het daarna weer als nieuw te verwerken. Deze klus werd binnen twee dagen geklaard (normaal een week) want ‘noblesse oblige’ en werd gewoon handje contantje betaald. Namens mevrouw Dreesman waren we cum laude geslaagd. We zijn in de loop der jaren bij veel Dreesmannetjes en aangetrouwde families over de vloer geweest. Waren keurige katholieken en zeer loyale klanten.

Kaarden van paardenhaar en schapenwol moest namelijk buiten in onze tuin gebeuren, want dit werk veroorzaakte zo’n zonsverduistering door de stof , dat is met geen pen te beschrijven. Dit ‘werk’ werd bij loterij (kortste lucifer was verliezer) verricht onder de jongsten, je kreeg een mondkapje op en een pet. Je kreeg wel een rijksdaalder extra van de baas en was de klus geklaard daarna linea recta naar het openbare badhuis, verderop in de straat. Dat we vijf dagen claimden voor het werk lag aan het feit dat het ook wel eens regende. Sommige matrasen waren meer dan veertig jaar oud en ze kwamen bijna alleen voor bij de zogenoemde gegoede – of aan boeren verwante – families. De wol en haar werden opgespaard om later te gebruiken.

Duizenden schoolkinderen die naar het schoolmuseum gingen, per bus of te voet, hebben allemaal keurig in de rij staan wachten voor onze grote ramen en hebben daar hard werkende matrassenmakers bezig gezien. Kwam dit item toevallig ter sprake later in mijn leven, was er die herkenning van die grote glazen ramen en het wachten om naar binnen te gaan.

Mijn klas ging ook met de bus naar het schoolmuseum en toen we daar keurig in de rij stonden te wachten voor de grote ramen, vroeg ik aan mijn meester of ik even alstublieft naar mijn vader mocht. “Waar is die dan?”, vroeg hij en ik zei dat mijn vader daar binnen werkte. Toen ik de meester later vertelde dat er achter de grote glazen ramen tien man personeel werkten en mijn vader de baas was, steeg ik in achting.

650 jaar bestaan
V&D ging stunten en we kregen de opdracht om 650 tweekleurige kapokmatrassen in de Haagse stadskleuren groen en geel en in een- en tweepersoons te maken en ‘op is op’. Voor eventuele buitenmaten werd er prijsopgave gemaakt. Duizend hoofdkussens in de speciale vrijdagaanbieding van V&D voor een leuke prijs.

Dit was een enorme bestelling, tijk en damast op rollen van 20/25 kg, stofbreedte 2 meter (was toen uniek) balen kapok van 25 kg verpakt in jute (2 meter hoog en 1 meter dia), garen en pluizen voor de matrassen. Die opslag en ruimte hadden wij niet, dus op afroep per week afleveren door de vanouds bekende firma van Gend en Loos en die kwamen trouw twee keer per week. We begonnen uiteraard een halfjaar van te voren aan deze monsterklus.

Personeelsbezetting veranderde natuurlijk, want er was werk aan de winkel en mijn vader was teveel op pad naar klanten. Mijn opa kreeg een ultra moderne Singer en die heeft tot aan zijn dood in het achterkamertje op de Moerweg tijken en kussens zitten stikken en als er nog wat tijd over was: knoopjes maken voor V&D. Oom Wim werd met leiding belast, want hij kon tenminste in leesbaar Haags een order uitschrijven, een normaal telefoongesprek voeren en met meer dan twee woorden in gesprek gaan met de klanten. ‘Chef’ werd zijn aanspreektitel, tenminste als er klanten in de zaak waren. Toevallig had mijn moeder ook nog een Singer thuis staan, dus die hoefde zich vanaf die dag niet meer te vervelen en werd ook personeel.

Inmiddels was ik na mijn diensttijd (1962) ook in dienstgetreden bij de Fa. en moest het klantenbestand een ietsje vergroten. Het werd in de loop der jaren steeds interessanter en er kwamen grote namen binnen met totaal verschillende werkzaamheden. De binnenvering (interieurmatras) had zijn intrede gedaan, schuimplastic en polyether matrassen, werden allemaal van nieuw damast of tijk voorzien.

Caravankussens, bootkussens en -matrassen. Deze laatste gevuld met kapok (waterafstotend) in geval van zinken van jacht of bootje kon je lekker op je matrasje blijven drijven en wachten op een traumahelikopter. Reddingsboeien aan boord van zeeschepen in het begin van de vorige eeuw, hadden een kapokvulling, vanwege onder andere een goed drijfvermogen.

Groenestein op de Loosduinseweg: een berucht en gevreesd weeshuis. De arme weesjes sliepen op een crin matrasje (keihard Engels gras) 75 cm breed met daaronder planken, ‘want daar kreeg je een rechte rug van’, zei de liefhebbende directie. Als ik daar binnen was geweest om de matrasjes te halen of te brengen, kwam ik depri terug. Anno nu haalt dat enge gebouw met zijn zwarte geschiedenis nog steeds de kranten.

Gescher Kemper, Spuistraat, leverde zijn eigen tijk mee, alleen de rijke Hagenezen konden zich permiteren hier aankopen te doen. Bij deze klanten kwamen wij niet over de vloer, het opmeten en prijsopgave deed het eigen personeel.

Ik was in de Haagse binnenstad in een leuke kroeg (de Knoch) aan de praat geraakt met een hele vriendelijke meneer, zag er zeer verzorgd uit en hij vertelde mij over veel kamers en bedden te beschikken. Op mijn vraag: “Een pensionnetje?”, zei hij een beetje wazig: “Ja, zoiets.” En hij vroeg of ik een kaartje had. Kaartje gegeven, ik kreeg een hand, nog een biertje en ik zou nog van meneer horen. Komt de kastelein naar mij toe en zegt: “Weet jij met wie je hebt zitten kletsen?” Ik: “Neen niet direct.” De kastelein: “Nou, dat was Henk Bartels, een bekende pooier uit de Geleenstraat.” Na een paar dagen belde Henk, of ik eens langs kon komen. Ik vond dat toch wel spannend en van een heel andere wereld. Tenslotte, ik was jong en ondernemend en wilde ook wel eens wat. Ik vertelde van dit belletje aan mijn vader en hij zei dat dit varkentje door hem persoonlijk gewassen diende te worden, want ik had helemaal geen idee met wie ik in zee zou gaan. Mijn vader wel, meende hij te moeten opmerken en hij had ook meer levenservaring. Aangezien ik ook nooit op mijn mondje was gevallen, zei ik een beetje luizig en verongelijkt: dan vertel ik tegen mijn moeder dat mijn vader naar de hoeren gaat. Bij navraag hier en daar bleek dat Henk B. een bijnaam had: de zingende rot. Hij zong wel eens info naar de politie door en dat werd niet op prijs gesteld in zijn ‘milju’. Mijn vader heeft Henk gebeld en hem verteld dat wij alleen aan bedrijven leverden en niet aan particulieren.

Meneer Max, was een Joodse handelsreizger in textiel, zag er gelikt uit,  altijd in een puik  pak  en een mooie  bruine kop met grijs krulletjes haar en natuurlijk de onmiskenbare adamse humor. Bij een schaterlach van een schuine mop, zag je altijd zijn 2 gouden hoektanden.  Om de  3/4  maanden kwam hij langs met zijn negotie. Hij had een map van stofstalen over zijn schouder en zijn koffertje in de rechterhand. Dat was altijd een leuk uurtje met meneer Max. Ging vaak over vrouwen en zijn avontuurtjes.  Als mijn vader zijn keus had gemaakt, dan liep Max naar zijn auto,  die  om de hoek op de Veenkade stond .  Waarom, vroeg mijn vader eens, zet je je auto niet hier voor de deur, ruimte zat.  Meneer Max wilde geen scheve gezichten van onze buurtjes,  want die auto was een hele grote opzichtige  amerikaan uit de  jaren 50 films, met open dak en een hele grote achterbak, waar zijn handel in lag. Wat we nu noemen: een patserbak. Zijn dochter was stewardes en had die auto in Amerika gekocht en per schip laten verschepen, per saldo was hij toch goedkoper uit, dan aanschaf in Nederland. Prachtige man.

Meneer Straatman, ook uit Adam, vertegenwoordiger van de kapokfabriek de Zwaan uit Mook en hardstochtelijk DWS aanhanger. Ome Jan stond DWS te verkopen alsof er geen betere club bestond en halverwege dat boeiende betoog, greep  mijn vader maar in uit arrenmoede: Jan, ff ter zake,  ik heb gelezen dat de  kapokprijs  gedaald is,  kom je hier om te lullen of te verkopen. Volgens Ome Jan  verkochten zij in Nederland  (als enige)  de originele Javakapok met label van het Ned. Kapokbureau. Kapok had een speciale behandeling ondergaan etc.etc.  Ome Jan  kwam altijd tegen de klok  van  12 uur, Dan belde mijn vader even naar huis en zei dat hij niet alleen kwam , dus werd het doodgewone boterhammetje, een leuke uitgebreide lunch. Toen mijn vader eens  ging dreigen om de kapok bij de concurrent te gaan kopen en dat hij dan misschien een ander lunchadres moest gaan zoeken, zag Jan een bui hangen en bond wat in. Daarna  gingen we  ineens met mijn vader en wat vrienden  met grote regelmaat  naar het Olympisch Stadion. Bij het loket noemde mijn vader zijn naam  en alle deuren gingen voor ons open. Ik heb  veel wedstrijden van het Ned.XI tal gezien. Mijn ouders aten wat meer buiten de deur en mijn moeder kreeg vaker bloemen. Mooie gulle man, Ome Jan uit adam.

Al ons personeel was ongeschoold en de jongsten kwamen uit een beetje armoe gezinnen, dat zag je en merkte je  aan de kleding en schoenen en soms uit verbaal geweld,  maar niet aan de gejatte fietsen waar ze op reden. De oudere beddenmakers (rond de 60 en ouder)  grepen dan in en corrigeerden,  er was iets van een ongeschreven wet, als de kat van huis was , piepten……

De 3 jongsten 16 en 18 jaar en een neefje  woonden in het Zomerhof, een ommuurde woonplek voor a-socialen. ( Tokkies van nu)  Het waren drie schoffies en hadden altijd wel wat aan hunt kont hangen, af en toe politie over de vloer, maar daar bleef het ook bij.  Ze deden niet het beste werk bij ons, maar het werd wel gedaan en altijd stipt op tijd. Keken niet op als er gevraagd werd om langer te blijven. Ze werkten de hele dag in de alpengrasschuur achter ons pand , gras pluizen met de hand,  bedjes vullen en vulgaatje onzichtbaar dichtnaaien. Vloeren vegen en katoenen matraspluizen knippen, duizenden pluizen die in strengen geleverd werden.  Als we klanten op bezoek kregen uit het “betere” segment, door het personeel  benoemd als  “hoog bezoek”, dan werd de vloeren  gesprenkeld met water, zodat het  stof beter bleef  liggen,  even stofzuigen , ramen lappen en de stoep werd gedaan tot  aan het museum toe. Iedereen een schone stofjas aan en de 3 schoffies stuurden we  naar het badhuis met een zakje zg. afgedankte oude kleding ( ondergoed, sokken, shirts, overhemden)  en daarna gelijk door naar de kapper,  met het dwingend advies : wel aantrekken die kleding en de volgorde niet vergeten, eerst badhuis en dan.. .  Wij waren lid van ADO en het personeel uiteraard fanatieke fans. We waren elke week bij ADO in het Zuiderpark. Mijn vader had de schoffies vrijkaartjes gegeven voor die zondag. Toen het  rust was, zochten  ze hun baas op in de kantine om een flesje drank te bietsen. Mijn vader staat tussen voetbalvrinden bij de bar en ziet  ineens die 3  voor hem,  zag er niet uit, daar was hij even niet blij mee. Hij nam ze gelijk even apart en zei:  jullie zien er niet uit, vrijdag hebben jullie andere kleding gekregenen,  waar is die gebleven,  Tjaaa,  hadden ze verkocht.

Als een medewerker ziek was en thuis bleef, moest ik eerst naar onze á contant(boekhouder)  om een loonstrookje van de zieke op te halen, wat het gros wist natuurlijk niet wat ze werkelijk verdienden. Omdat mijn vader meer betaalde dan een cao loontje zou hij  later wel eens in de problemen kunnen komen met de belastingen. De controleur van de ziekendienst vroeg altijd wat je loon was.   Er werd bij ons veel overgewerkt en de weekgeldjes werden toen op zaterdag handje contantje uitbetaald en meestal werd er  wat extra gegeven voor bezoek aan het badhuis en de kapper. Ik weet bijna zeker dat die centjes bij de gewichtheffer Verheijen (kroegbaas over de brug)  terecht kwamen. Veel echtgenotes van onze medewerkers hebben nooit geweten wat hun vakman precies verdiende.

Directeur van de bekende Nurdie nylonkousen, had in Zwitserland in een hotel op een vibrerende binnenvering een paar verrukkelijke nachten meegemaakt en was bijna van zijn hernia af. In het hotel gevraagd waar die matrassen gekocht waren en hij kwam naar huis terug met  in een doos de “massageboy “zo was de naam van de machine. Deze moest in zijn eigen binnenveringmatras geplaatst worden. Dat gaf een probleem, want om daar een prijs voor op te geven, dat werd natte vinger werk. Gelukkig speelde geld geen rol!! Lang verhaal verkort:  de matras netjes  gesloopt tot op de stalen springveren, ruimte geknipt, dus een aantal veren verwijderen en de Boy in het midden geplaatst, verpakt in polyether. Jute, wattenlaag en damast provisories vastgezet en de stekker in het stopcontact en voor de zekerheid een brandblusser van de muur gehaald. De matras lag op ijzeren schragen en de  hamvraag, wie gaat er op liggen om te testen , vader dus. Op mijn vraag : moet ik mamma nog bellen, voor je weet maar nooit, was het kortaf :  klets niet en  zet dat ding aan. Hij deed eerst nog zijn schoenen uit en ging op zijn rug liggen en handen op zijn buik. Heel voorzichtig Boy op het cijfertje 1 gezet. Het ging langzaam brommen en snorren,  mijn vader lag met zijn ogen dicht. Matras af en toe wat verschoven, geluid was te hard.  Het trillen van de Boy  in de 2e versnelling ging veel te snel. Na een tijdje zei ik : tis lekker hé,  antwoordde hij  : hoe weet jij dat nou.  Ik zie het toch, onder je stofjas komt iets omhoog en het beweegt en je ligt te glimlachen met je ogen dicht en ik weet zeker, dat je niet aan mijn moeder denkt.  We hebben de Boy  op kniehoogte geplaatst, was ook beter voor de hernia, maar mocht meneer een spontane pretnacht willen, moest hij andersom gaan slapen.

Ger Hählen
g.hahlen@ziggo.nl
070-3888269

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann